Mevrouw Terneuzen

Debby Haagmans is moeder van drie, gezondheidszorgprofessional, ouderschapsfanaat, schrijver (ookikschrijf.nl), dinokwartetgrootmeester, en levenskunstenaar. Elke woensdag schrijft zij voor mama nova over haar leven als moeder. Deze week: een gesprek met een bijzondere lading.

Aarzelend wordt er op de deur geklopt. Ik reageer niet, omdat in mijn ervaring mensen niet op de deur kloppen omdat ze daarmee toestemming vragen binnen te komen. Het geklop is bedoeld als aankondiging: Hallo ik ben er en ik kom nu binnen, wat jij er ook van vindt. Ook nu gebeurt dat, twee seconden na het geklop. Een dame met grijzig haar in een knot, een lange donkere rok, en een bril met groot montuur stapt naar binnen. Of het uitkomt dat ze er nu even is? Ik knik: kom binnen en neem een stoel. Ze zit liever bij me op het ziekenhuisbed. ‘Een grote afstand vind ik onprettig aanvoelen in tijden als deze’ zegt ze, ernstig kijkend. Ik knik nogmaals.

Hoe het met me gaat, wil ze weten. Het is de meest gestelde vraag, maar ook de lastigste om te beantwoorden. Goed, wil ik zeggen maar dat gelooft niemand. Daar heeft de werkelijkheid niets mee te maken, zelfs als je oprecht denkt dat het goed met je gaat dan heb je het mis. Dan moet de klap nog komen, of hou je jezelf voor de gek. Die discussie ga je niet winnen, nooit, als je kind net dood is kun je geen ‘goed’ zeggen. Gewoon niet.
‘Naar omstandigheden redelijk’ antwoord ik daarom. Het is niet gelogen.
‘Oh sorry!’ roept ze dan geschrokken. ‘Ik heb me niet eens voorgesteld!’
‘Niet erg’ zeg ik. ‘Ik ook niet, haha.’
Ze lacht met me mee, dat is erg aardig. Ik heb er een hekel aan als mensen doen alsof ik een slechte grap maak als ik een slechte grap maak. In tijden als deze hebben we ook slechte humor nodig. Ze stelt zich voor met een ingewikkelde naam of in ieder geval een naam die ik onmiddellijk weer vergeet. ‘Ik wilde even kijken hoe het nu is. Wil je nu praten, of een andere afspraak maken?’ vraagt ze met de stem van iemand die praat tegen iemand die in de rouw is. Je weet wat ik bedoel als je ooit zelf hebt gerouwd.
‘Eh, ik kan wel praten denk ik..’ zeg ik. ‘Mijn man komt wel zo’.
Daar schrikt ze duidelijk van.
‘Uw.. man..?’
‘Vindt u dat vervelend?’ vraag ik oprecht.
Ze lijkt na te denken, ze trekt in ieder geval een moeilijk hoofd. Dan kijkt ze naar mijn gezicht, en daarna om zich heen. Tot haar oog valt op de wieg van Elva, lieve kleine Elva die al die tijd lieflijk in haar wieg in de hoek bij het raam dood lag te zijn, en ze slaakt een gilletje waar ze zelf van schrikt.

De meeste mensen die mijn kamer binnen komen worden gewaarschuwd: daar ligt een dode baby. Deze mevrouw heeft die memo niet gekregen, blijkt nu. Met grote ogen staart ze me aan.
‘Uw man is niet dood!’ zegt ze bijna beschuldigend.
‘Godzijdank!’ roep ik uit, maar nu lacht ze niet. Ze kijkt alsof ze elk moment in huilen uit kan barsten. Daar zitten we dan, samen op bed, te zwijgen omdat mijn man niet dood is.
‘Mijn baby is wel dood, telt dat ook?’ vraag ik.
‘U bent niet mevrouw Terneuzen.’ vat ze een en ander helder samen. Ik schud mijn hoofd. Dan glimlacht ze voorzichtig. ‘Ik vond u inderdaad wel erg jong ogen voor iemand met een gebroken heup.’
En zo maakt ze toch mijn dag nog leuk.

 

One thought on “Mevrouw Terneuzen

Geef een reactie