Tandarts

Tandarts

Debby Haagmans is moeder van drie, gezondheidszorgprofessional, ouderschapsfanaat, schrijver (ookikschrijf.nl), dinokwartetgrootmeester, en levenskunstenaar. Elke woensdag schrijft zij voor mama nova over haar leven als moeder. Deze week: een scheve glimlach.

Mijn oudste zoon ligt in de tandartsstoel zijn best te doen niet te lachen. Hij vindt het spannend bij de tandarts en daar wordt hij een beetje giechelig van. Daar ik van nature giechelig ben en deze situatie zich dus goed leent voor een hysterisch ongemakkelijk lachsalvo van ons samen doe ik extra hard mijn best serieus te zijn, net als alle anderen hier. Zoals de tandarts, zij is bloedserieus. In stilte bekijkt ze het gebit van zoon uitvoerig, ze bromt een nietszeggend hm en spreekt vervolgens in codetaal tot haar assistente. Ik negeer dat ze een woord uitspreekt dat rijmt op piemel, dat zei ze heus niet, en ik voel de blik van zoon over mijn gezicht glijden. Niet naar hem kijken nu, niet naar hem kijken. We worden gered van het lachsalvo door de tandarts met de mededeling dat hij twee gaatjes heeft (‘Maar we poetsen twee keer per dag Heel Goed!’ ‘Niet goed genoeg dan he’) en dat ze een verwijzing voor de orthodontist zal schrijven.

De orthodontist. Mijn hele middelbare schooltijd, vier lange jaren, droeg ik een beugel. Vier jaren van niet durven lachen of zoenen of plakkerig snoep eten (weet je hoe LEKKER een Snickers lijkt als je denkt dat je hem nooit mag eten?), vier jaren van met regelmaat pijn omdat om de haverklap de slotjes werden aangedraaid zodat de beugel net een tikje strakker stond.. het flitst in een nanoseconde aan me voorbij en de moederleeuw in mij wil niets liever dan hard wegrennen en mijn kind behoeden voor de hel die orthodontie is maar ik hou het hoofd koel en zeg: ‘Oh eh, oke. Ja, is prima! Waarom precies eigenlijk?’ Ze kijkt me aan met een doh-hoofd. Echt waar, zelfs een tandarts kan dat dus. ‘Dit is natuurlijk niet normaal he’ zegt ze terwijl ze naar mijn zoon wijst. ‘Niet normaal..?’ herhaal ik niet begrijpend. ‘Wat is er precies mis dat hij een beugel moet hebben?’ vraag ik, want misschien begrijpt ze mijn eerdere vraag niet goed en ben ik onduidelijk in mijn communicatie of ze is gewoon een botte trut en zowel zoon als ik neigen naar dat laatste maar iedereen verdient een kans, wellicht wel twee.

‘Zijn tanden staan scheef.’ Ik beaam dit, wij zien het ook. (Alleen als we heel goed kijken trouwens, want een kind van mij zit redelijk dicht tegen de perfectie aan, uiteraard.) Ik vraag of het vervelend is voor zijn mondgezondheid, ietwat scheve tanden. En de tandarts, de hoogopgeleide dame die het grootste deel van haar leven heeft besteed aan het vak dat ze uitoefent en waarvan ik een zekere mate van kennis verwacht zegt hierop: ‘Nou ja, scheve tanden zijn natuurlijk gewoon lelijk.’

In de verte horen wij het gerinkel van haar eigen glazen. Zoon en ik wisselen een paar blikken uit. ‘Of iets lelijk is, is nogal subjectief te noemen. Ik vind zijn tanden prachtig.’ bits ik. ‘Als hij echt een beugel nodig heeft, dan staan we daar voor open. Maar dan doen we het met de juiste motivatie, en niet omdat er iemand is die haar idee van schoonheid wil opdringen aan een kind van acht.’ ga ik verder. Zoon zet nu zijn doh-blik op en haakt in: ‘Mijn tanden passen bij mij. Ik hou van ze.’ We knikken in koor.

Enorm in onze nopjes met deze plotselinge uiting van assertiviteit staan zoon en ik tegelijk op van onze plaats. Wij zijn klaar hier. ‘Bij de balie kun je een afspraak maken om de gaatjes te laten vullen’ probeert de tandarts nog tevergeefs. Als we ongemeend vriendelijk gedag zeggen en de deur uit lopen zegt zoon net iets te hard: ‘Hoorde jij ook dat ze piemel zei?’ Dat lachsalvo kwam toch nog.

Geef een reactie